Sportbestuur; meer dan een noodzakelijk kwaad

Het is ruim 2700 jaar geleden dat voor het eerst de Olympische Spelen werden georganiseerd. De fysieke restanten van deze evenementen zijn in het kleine Griekse stadje die de Spelen haar naam hebben gegeven, Olympia, nog altijd zichtbaar. In 2005 was ik dankzij de Griekenlandreis van mijn middelbare school in de gelegenheid om deze legendarische plaats in de geschiedenis van de sport te bezoeken. Het kost wel wat voorstellingsvermogen om de grandeur van de bouwwerken van de Klassieke Oudheid goed te kunnen inschatten; veel hoger dan ons middel reiken de stapels stenen niet meer. De atletiekbaan is echter nog steeds bezichtigen en menig toerist neemt dan ook de gelegenheid om op deze mythische locatie de 100 meter sprintend, veelal op slippers en met petjes op, af te leggen.

Het stadion, dat in 350 voor Christus werd gebouwd, is helaas verloren gegaan, maar bood plaats aan om en nabij de 45.000 personen. Sport was 2700 jaar geleden al groot vermaak, wat dat betreft is er weinig veranderd!

Toch heeft de sport een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Één van de belangrijkste ontwikkelingen daarin is het ontstaan van de professionele sporter, die min of meer fulltime bezig is met zijn of haar sport. Zeker achteraf gezien een logische stap, door de veelheid aan media-aandacht en de hoeveelheid toeschouwers, maar ook doordat de sport hierdoor op een hoger niveau kon worden gebracht. Sporters doen alles om de beste te worden en er zijn ook diegenen die hiervoor de verboden middelen niet schuwen – met alle gevolgen van dien. Sponsoren, en daarmee marketeers, zijn niet meer weg te slaan uit de sportwereld. Sportwedstrijden zijn evenementen geworden, die niet enkel meer op zichzelf staan, maar ook maatschappelijk een grote rol spelen. Voetbalclubs zijn zelfs miljoenenbedrijven geworden, en in het geval van bijvoorbeeld Ajax zelfs beursgenoteerd.

Het maakt dat ook professionele bestuurders binnen de sportwereld onvermijdelijk zijn. Een idealist zou wellicht kunnen zeggen, zij zijn een noodzakelijk kwaad. Bestuurders die actief zijn bij de sportbonden of in de wereld van de topsport liggen onder een vergrootglas. Zij worden publiekelijk afgerekend als de prestaties tegenvallen, als het beleid onnavolgbaar is of als besluiten omstreden zijn. Soms zijn bestuurders in de sportwereld afkomstig uit het bedrijfsleven. Soms zijn het ex-topsporters. Allebei worden ze nauwgezet gevolgd door de verschillende media, met navenante impact op de beeldvorming over hun functioneren. De praatprogramma’s op televisie voorop. Als sportbestuurder moet je soms bijna politicus zijn, maar dat is ook topbestuurders uit het bedrijfsleven niet vreemd.

Dat is niet erg. Sport speelt een grote maatschappelijke rol. Het is “de belangrijkste bijzaak in het leven”, zoals Kees Jansma in de jaren negentig in een interview al zei. En er gaan vele miljoenen om in de sportwereld, waarvoor de managers, directeurs en bestuurders uiteindelijk de verantwoordelijkheid dragen.

De mannen en vrouwen liggen dus onder een vergrootglas. En daarbij geldt ook nog eens de stelregel “Goed nieuws is geen nieuws”, waardoor er pas gesproken wordt over directeurs, managers en bestuurders wanneer het even tegen zit op het veld, in de zaal, financieel of organisatorisch.

Toch zijn bestuurders en managers noodzakelijk. Zij zorgen ervoor dat sport op een goede manier bedreven kan worden. Zij zorgen ervoor dat de randzaken gemanaged worden. Dat geldt van de tennisclub op de hoek, waarbij het bestuur bijvoorbeeld het onderhoud van de banen organiseert, tot aan pak ‘m beet de topploegen uit de Amerikaanse basketbalcompetitie NBA. Dat geldt zeker ook in de topsport. Door de hoge budgetten, commerciële belangen en grote media-aandacht zijn professionele managers meer dan een noodzakelijk kwaad. Sterker nog; zij kunnen het verschil maken.

Niet alleen voor de topsporters, maar ook voor de recreatieve sporters. En dat is bijna voor iedereen. Recreatieve sporters heb je in alle soorten en maten.

Allereerst op actieve basis, door hardloopwedstrijden te organiseren en te lopen, tenniscompetities op te zetten en te spelen, voetbalwedstrijden te fluiten en te spelen, schaatstochten uit te zetten en te rijden. Door zelf te sporten. Maar ook op passieve basis, door op de tribune plaats te nemen van de plaatselijke voetbalclub of de favoriete Eredivisieclub, door op televisie de Davis Cup te kijken of de handbaldames, door langs de kant van de weg de Tour de France te bezoeken of door op het werk een voetbalpool in te vullen. Door te genieten van de topsport, die ook stimuleert om zelf actief te gaan sporten. Met alle positieve gevolgen voor je eigen gezondheid en die van de algehele volksgezondheid.

Of door de sporters van je land aan te moedigen op de Olympische Spelen, zoals de Grieken uit de verschillende stadstaten dat ruim 2700 jaar geleden al deden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.