Beleid op intensief bewegen moet intensiever

Dat sport maatschappelijk gezien meerwaarde heeft, dat weten we allemaal. Bovendien is het al in 1996 wetenschappelijk aangetoond door Maarten van Bottenburg en Kees Schuyt, die in opdracht van NOC*NSF concludeerden dat karaktervorming, sociale binding, gezondheid en economie positief beïnvloed worden als gevolg van sportparticipatie. Deze week verscheen in aanvulling daarop in de media dat kinderen beter presteren in wiskunde en rekenen, naarmate ze meer sporten. Het Amsterdamse UMC concludeerde: “Jongeren die 3 tot 5 keer per week intensief bewegen op school, scoren hoger op rekenvaardigheid dan leeftijdgenoten die dat niet doen.”

Deze stelling is niet nieuw. In de gesprekken die ik heb gevoerd voor mijn boek, dat waarschijnlijk in dit najaar zal verschijnen. Is door invloedrijke sportbestuurders reeds bepleit dat er meer aandacht moet komen voor bewegen op school. Niet alleen om mensen op jonge leeftijd kennis te laten maken met bewegen – liefst in verschillende vormen van sport, omdat dat het beste is voor de ontwikkeling. Jong geleerd is immers oud gedaan, en dat betekent dat de maatschappelijke meerwaarde die door Van Bottenburg en Schuyt al werd aangetoond maximaal wordt uitgenut. Maar juist vanwege de cognitieve prestaties van kinderen. Als kinderen meer bewegen, presteren ze beter op school.

Juist in het curriculum op school komt sport en bewegen echter vaak in de knel. De Nederlandse overheid heeft zijn handen af getrokken van het programma dat scholen aanbieden, maar door beleid en maatschappelijke inzichten bouwen deze scholen een programma op dat rondom taal- en rekenonderwijs is samengesteld. In Nederland is op de basisschool een norm van 2 uur gymles per week. Dat kan anders: in Denemarken moeten scholen hun kinderen verplicht iedere dag minimaal een uur laten bewegen. Benieuwd of dat effect heeft.

Doordat kinderen zich steeds meer vermaken met hun spelcomputers en mobiele telefoons in plaats van door buiten te spelen, neemt het bewegen buitenschools af. En dat terwijl structureel intensief bewegen zo belangrijk is. Het had voor de overheid gepleit als het de regie had genomen op het gymnastiekonderwijs. Niet alleen door vaker gymles aan te bieden, maar ook diverser: meer verschillende sporten, want ook dat is goed voor de ontwikkeling. Jammer genoeg is er in het Nationaal Sportakkoord dat in 2018 is gesloten geen aandacht voor bewegen op school. Wel staat expliciet genoemd dat beweegprogramma’s voor kinderen tot 6 jaar moeten komen, er meer buurtsportcoaches gaan komen om bewegen van jong tot oud te stimuleren en wordt de nadruk gelegd op een goede sportinfrastructuur.

Het belang van intensief bewegen voor onze samenleving is niet te onderschatten. Ook voor sportbestuurders is dit een aandachtspunt. Immers, hoe meer er intensief wordt gesport, hoe meer leden voor de bonden en clubs er in potentie zijn, en hoe groter de vijver waaruit gevist kan worden voor de top. Sportbeleid van jongs af aan heeft effecten tot aan de top.

Nederland een sportland met een sportcultuur? Misschien. Het zou de politiek en de overheid sieren als het sport en bewegen een meer centrale rol zou geven in haar beleid. Het veranderen van de bewegingsrichtlijn is een, investeren en gericht beleid is twee. Het Nationaal Sportakkoord is een begin, maar het kan altijd beter. Ambitie hoort immers bij sport en bewegen!

Meer weten over de Nederlandse sportcultuur? Lees dan mijn boek. Het verschijnt waarschijnlijk eind dit jaar. Houd dit blog in de gaten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.